De Teuten
Drie eeuwen rondreizende handelaars (eind 16de – eind 19de eeuw) met Europese allure

Raadhuis & Museum Kempenland Lommel op zaterdag 24 maart

Op zaterdag 24 maart 2001 vond in het Raadhuis te Lommel een studiedag plaats over het leven van de teuten, een streekgebonden groep handelaars die het economisch bestaan van heel Noord-Limburg (B.) en een deel van Noord-Brabant (NL) heeft beïnvloed van het einde van de 16e tot het einde van de 19e – begin 20e eeuw. Deze studiedag werd georganiseerd door de Stuurgroep Volkskunde in Belgisch- en Nederlands-Limburg, het Limburgs Museum (Venlo), het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (Brussel) en het Nederlands Centrum voor Volkscultuur (Utrecht), in samenwerking met Museum Kempenland in Lommel.

De teuten waren rondreizende handelaars en ambachtslui die vanuit hun thuisbasis met hun koopwaar op de rug naar Nederland, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg… en sommigen zelfs tot Denemarken trokken. Ze verkochten er koperwaren (goorteuten), aardewerk (gleisteuten), textiel (tafteuten), menselijk haar en ze beoefenden het veesnijdersambacht. Ze waren zeer strikt georganiseerd in compagnieën en hierdoor moeten ze worden onderscheiden van andere leurdersgroepen of marskramers. Op het einde van de 19de-begin 20ste eeuw kwam er een abrupt einde aan de teutenhandel, onder andere door gewijzigde reglementeringen met betrekking tot de buitenlandse handel. De dag werd afgesloten met een begeleid bezoek aan Museum Kempenland, dat ondergebracht is in een gerestaureerde dorpswoning en als enig museum in de regio speciale aandacht besteedt aan de teuten. De bezoeker wordt er ondergedompeld in de wereld van deze ‘euregionale handelaars avant la lettre’: hun handelswaar, taal, kledij, organisatie, kredietstelsel, het leven op het thuisfront… zijn er beeldig ontsloten.

Het programma:
10.00 uur

ontvangst met koffie

10.30 uur welkomstwoord door notaris B. Indekeu, voorzitter van Museum Kempenland
10.40 uur lic. J. Mertens, Het fenomeen der teuten
11.25 uur gelegenheid tot vraagstelling

11.35 uur

lic. L. Van de Sijpe, Een teutencompagnie concreet aan het werk. Studie van de werking van de teutencompagnie Rijcken (Hamont) in 1820 aan de hand van de boekhouding

12.20 uur

gelegenheid tot vraagstelling;

12.30 uur

warm buffet in restaurant De Bourgondiër
14.00 uur drs. J.C.G.W. Coenen, De gang van de Luyksgestelse teuten naar Denemarken
14.45 uur rondleiding in Museum Kempenland
16.00 uur afsluiting in informele sfeer.

DE REFERATEN

Inleiding:
De teutenhandel is een streekgebonden fenomeen dat het economisch bestaan van gans Noord-Limburg (B) en van een stukje van Noord-Brabant (Nl) gedurende meer dan drie eeuwen (eind 16de tot eind 19de – begin 20ste eeuw) heeft bepaald en beïnvloed. Tot de bekendste teutendorpen behoren Lommel, Hamont-Achel, Kaulille, Bocholt, Overpelt, Neerpelt, Hechtel-Eksel, Sint-Huibrechts-Lille, Bladel, Eersel, Luyksgestel, Bergeijk¼ Binnen deze regio was Lommel één van de belangrijkste teutendorpen, dit wil zeggen dat Lommel in verhouding tot het totale aantal inwoners het grootste aantal teuten telde.
Teuten waren rondreizende handelaars en ambachtslui die actief geweest zijn vanaf het einde van de 16de eeuw tot het einde van de 19de – begin 20ste eeuw. Vanuit hun thuisbasis trokken zij met hun koopwaar op de rug naar Nederland, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg¼ en sommigen zelfs tot Denemarken. Ze verkochten er koperwaren (goorteuten), aardewerk (gleissteuten), textiel (tafteuten), menselijk haar en ze beoefenden het veesnijdersambacht.
Ze waren zeer strikt georganiseerd in compagnieën en ze verleenden krediet aan hun klanten. Vooral door hun strikte organisatie kunnen en moeten we de teuten onderscheiden van andere leurdersgroepen of marskramers.
Op het einde van de 19de – begin 20ste eeuw kwam er, na meer dan drie eeuwen, een abrupt einde aan de teutenhandel voornamelijk omdat men in het buitenland een reglementering uitvaardigde dat de teuten zich definitief in hun handelsgebied dienden te vestigen zo ze er nog wilden handel drijven.
In het teutenmuseum, dat overigens het enige is in gans de regio, wordt de bezoeker ondergedompeld in de unieke wereld van de teuten: hun handelswaar, taal, kledij, hun organisatie, hun kredietstelsel, het leven op het thuisfront…

Jef Mertens
Geboren in Brecht, 1950. Studeerde geschiedenis aan de UFSIA en de K.U. Leuven en is wetenschappelijk assistent aan het Historisch Studiecentrum Alden Biezen. Hij publiceerde biografische studies over de liberale politicus Louis Franck (1869-1937), over gouverneur Joseph Bovy van Limburg (1810-1879) en over landcommandeur Edmond Godfried von Bocholtz (1615-1690). In Limburg legde hij zich toe op de wetenschappelijke lokale geschiedschrijving. Zijn monografie over Houthalen werd met de Manteliusprijs 1983 bekroond. Al dan niet in samenwerking met anderen publiceerde hij historisch-naamkundige studies over Zonhoven, Opglabbeek en Deurne bij Diest. Samen met prof. dr. U. Arnold van Bonn stond hij in voor de eindredactie van de opgemerkte catalogus “Ridders en Priesters. Acht eeuwen Duitse Orde in Noordwest-Europa”. Die ging gepaard met een prestigieuze tentoonstelling, waarvan hij de coördinatie op zich nam. Van de fraaie uitgave “De balije Biesen in het Maas-Rijngebied” en van de eerste twee delen van de reeks “Bijdragen tot de geschiedenis van de Duitse Orde in de balije Biesen” is hij de eindredacteur. Over de teuten schreef J. Mertens in binnen- en buitenland tal van publicaties, waarvan “De vier dorpen van de Bank van Pelt” (1984), “Kempens kramersvolk” (1985) en “Handel en wandel van de teuten in Duitse gewesten” (1995) algemene waardering ondervonden.
Inhoud van het referaat:
1. Het oudste voorbeeld: ketelboeter Nijs Thewis van Pelt in 1542 in Zaandam.
2. Aanknopingspunten in een oud artisanaal en commercieel milieu.
3. Indeling van de teutenactiviteiten.
4. Een wezenlijk kenmerk: eigen handelsstreken.
5. Geleidelijke groei.
6. Klantenbinding in een vaste streek.
7. Een afgelijnde handelsstreek, vb. Noord-Holland.
8. De verovering van een streek:
a. enkele strategieën
b. concrete verovering van het land van Bitche en van de vallei van de Albe.
9. Vorming van netwerken door strategie, huwelijkspolitiek en definitieve emigratie
a. onderlinge huwelijken en gebiedsuitbreiding in Kurmainz en omgeving
b. dochters van leveranciers of ambachtslui en van herbergiers
c. definitieve emigratie
10. Organisatie in compagnieën en grotere samenwerkingsverbanden.
11. Conservatief plaatselijk verzet.
12. Afspraken en erecode.
13. Einde en betekenis.

Jean Coenen
Jean Coenen (Eindhoven 1956), streekhistoricus gevestigd in Maasbracht. Vanaf 1970 houdt hij zich bezig met de geschiedenis van Zuidoost-Brabant en aangrenzend Limburgs gebied. In 1974 publiceerde hij zijn eerste artikel in de bundel “Teuten, Buitengaanders van de Kempen”. Van 1975 tot en met 1981 studeerde hij geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Zijn doctoraalscriptie ging over de secretarissen en schouten in Peelland, 1629-1795. In 1982 was hij werkzaam aan de afdeling militaire geschiedenis en strategie van de KMA in Breda. Sinds 1983 is hij gedeeltelijk werkzaam in het voortgezet onderwijs. In 1984 richtte hij het Bureau voor Regionaal Historisch Onderzoek op, dat gevestigd was in Geldrop en sinds 1998 in Maasbracht. Hij schreef in opdracht boeken over de geschiedenis van Aarle-Rixtel, Asten, Best, Geldrop, Heeze, Leende, Nuenen en Son. Momenteel werkt hij aan een boek over Someren en Lierop.
In opdracht van de vriendenkring van de H. Kruiskapel van Luyksgestel deed hij onderzoek naar de geschiedenis van die kapel, die nauw verbonden bleek te zijn met de geschiedenis van de teuten. Hij publiceerde over teuten uit Heeze, Leende, Maarheeze, Weert en Nederweert. Momenteel verricht hij in zijn vrije tijd onderzoek naar de teuten in Zuidoost-Brabant, met name naar de Luyksgestelse compagnieën. Het Deense materiaal werd door hem ter plaatse onderzocht en in zijn opdracht verfilmd.
De Deense compagnie van Luyksgestel.
Het dorp Luyksgestel, dat nu in de provincie Noord-Brabant ligt, maakte in de 17de eeuw deel uit van het prinsbisdom Luik. In die tijd telde het dorp twee teutencompagnieën, namelijk een van haarteuten en een van koperteuten. De haarteutencompagnie heeft bestaan tot 1917. In deze lezing zal de aandacht echter vooral uitgaan naar de koperteuten, die vooral handel dreven met Denemarken. Deze Deense compagnie bezat sinds de 18de eeuw een eigen handelshuis in Horssens.
Het archief van het dorp Luyksgestel is zeer onvolledig. Aan de hand van de overgebleven stukken wordt duidelijk dat de teuten gezorgd hebben voor welvaart in het dorp. Met de rijkdom die in Denemarken werd vergaard, konden de teuten in hun geboortestreek een goed bestaan opbouwen. Aan de hand van de Luyksgestelse archieven werd echter niet duidelijk welke onderlinge samenhang er bestond tussen de teuten, hoe hun organisatie was opgezet, hoeveel zij verdienden met hun handel en hoe de handelsgebieden onderling waren verdeeld. Dergelijke vragen waren aanleiding tot een onderzoek in Denemarken naar de archieven van de Deense compagnie van Luyksgestel. Vier jaar geleden werd de bedrijfsadministratie van de Deense compagnie in Denemarken teruggevonden en volledig op film gezet. Uit de kasboeken, die vanaf 1720 bewaard zijn gebleven, blijkt niet alleen hoeveel er verdiend werd, maar ook hoe groot de compagnie was, wie er lid van was en wie in welk deel van Denemarken handel dreef.
In de archieven van de compagnie werden de contracten gevonden met de messingproducenten, de jaarlijkse bijeenkomsten van de leden van de Deense compagnie in Horssens en de aankoop van een eigen messingfabriek. De ontwikkeling van de Deense compagnie is af te lezen aan de hand van de administratie. Omstreeks 1870 kwam echter een einde aan de compagnie.
Genealogisch zijn de kasboeken van de compagnie van groot belang omdat kan worden nagegaan wie er in Denemarken verbleef en waar iemand zijn handelsgebied had. Momenteel wordt gewerkt aan het invoeren in de computer van de totale bevolking van Luyksgestel aan de hand van de DTB-boeken en de Burgerlijke Stand. Deze gegevens worden gekoppeld aan de lijst van kameraden van de Deense compagnie en aan akten uit rechterlijke en notariële archieven. Ook is bekend welke personen in Denemarken zijn gehuwd of overleden en welke zich daar definitief gevestigd hebben. In 1987 werden enkele afstammelingen van Luyksgestelse teuten in Denemarken bezocht. Zij bleken nog in het bezit te zijn van kerkboeken met genealogische aantekeningen, kasboekjes, bidprentjes en foto’s. Het onderzoek in Denemarken werpt een nieuw licht op de organisatie van de teuten. Aangezien de Deense compagnie van Luyksgestel een van de grootste was in het teutengebied, zijn die archieven van groot belang. Tijdens de lezing werden dia’s vertoond van documenten die in Denemarken werden gevonden en foto’s van Luyksgestelse teuten, grafstenen in Denemarken en huizen van teuten.

Luk Van de Sijpe
Klassieke Humaniora in het Sint-Aloysiuscollege te Menen
Licentiaat in de Geschiedenis-Afdeling Oudheid aan de KULeuven Beroepsloopbaan: leraar geschiedenis Hoger Secundair Onderwijs in het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk sedert 1982, lid van de raad van bestuur van Heemkunde Limburg, redactie van Limburg-Het Oude Land van Loon, secretaris van de Geschied- en Heemkundige kring ‘De Goede Stede Hamont’. Hij publiceerde o.m. artikels over de teuten in diverse Limburgse tijdschriften en publicaties
Een teutencompagnie in werking
Volgens de familieoverlevering is de Compagnie Rijcken uit Brielle in 1690 opgericht. In 1693 zou deze compagnie reeds uit zes personen hebben bestaan. Archiefonderzoek heeft deze gegevens niet kunnen bevestigen.
Toch was de familie Rijcken reeds vòòr 1690 actief in de Teutenhandel. Zo liet Michel Rijcken (+1679) excessieve schulden na wegens zijn koopmanschap in het stift van Utrecht. De mombers van de kinderen waren verplicht een stuk grond te verkopen om de schulden af te betalen. De eerste teutenhandel van de compagnie Rijcken was weer volgens overlevering, geconcentreerd rond de handel in koperwerk, maar vanaf begin van de 18de eeuw is er sprake van ellegoederen, de verkoop van varkens en paarden en tenslotte de verkoop van klaverzaad.
Tot 1767 is er weinig bekend over de organisatie en de bedrijfsresultaten van de teutencompagnie Rijkcen. Vanaf 1767 kunnen we de geschiedenis van deze vennootschap beter volgen dank zij het familiearchief. Dat omvat naast zogenaamde teutencontracten, enkele koopmansboeken, debiteurenregisters en tientallen losse stukken.
De teutencompagnie Rijcken bestond in haar volwaardige bezetting uit zes vennoten. Zij voerden handel in de omgeving van Brielle. Het handelsgebied was nauwkeurig afgelijnd en er deden zich geen betwistingen met andere compagnies voor. Dit handelsgebied strekte zich immers uit over het hele eiland Voorne en Putten. De compagnie was daarom ook opgesplitst in twee groepen. Een was actief in Voorne met Brielle als centrum, de tweede groep was actief in Putten met Abbenbroek als centrum.
In de 18de en 19de eeuw bleef een van de drie vennoten in het pakhuis of de winkel terwijl de twee anderen de boer opgingen, te voet of te paard om de bestellingen op te nemen of af te leveren. De Teuten van Hamont vertrokken meestal eind februari, begin maart en keerden rond Sinterklaas terug. Uitzonderlijk keerde een Teut voor een beperkte tussenperiode in de zomer terug naar Hamont. Ze waren dus negen maanden in het buitenland actief.
In de beginfase zullen de Teuten met de pak vanuit Hamont vertrokken zijn, in elk geval de ketellappers, maar voor de textielteuten was dit niet haalbaar. Al vroeg in de geschiedenis merken wij dat de textielteuten in hun handelsgebied pakhuizen huren of aankopen en daar hun voorraad opslaan.
Voor de 19de eeuw was de compagnie Rijcken ook actief in de varkenshandel. De familieoverlevering beweert dat midden van de 18de eeuw honderden varkens of biggen op de markt in Tongeren gekocht werden en van daaruit naar Holland gedreven.
Na de Franse tijd verdween deze vorm van handel en investeerde men in een nieuw product: klaverzaad. Wellicht startte men reeds in de laatste decennia van de 18de eeuw met de
verkoop ervan maar concrete gegevens ontbreken. De handel in klaverzaal bleef tot het begin van de 20ste eeuw belangrijk.
De verkoop in Holland was ongelijkmatig gespreid. De topperioden waren gedurende meer dan twee eeuwen de maanden maart-april en oktober-november. Dit hoeft ons niet te verwonderen daar de klanten, allemaal landbouwers, geen tijd noch geld om in het druk landbouwseizoen, mei tot september met de teuten contacten te onderhouden...